The right of retention is alive and kicking: support from the legislator and the Court of Cassation

The right of retention is alive and kicking: support from the legislator and the Court of Cassation

For more information you can contact Sam LedentDave Mertens or Irgen De Preter.

Het retentierecht is springlevend: steun van de wetgever én het Hof van Cassatie

Het retentierecht is het recht van de schuldeiser (de “retentor”) om de teruggave van een goed dat hem door zijn schuldenaar werd overhandigd, op te schorten zolang de schuldenaar de schuldvordering in verband met dat goed niet heeft voldaan. Typevoorbeeld is de garagist die de teruggave van een voertuig weigert zolang de reparatie hiervan niet is betaald. Het (potentiële) toepassingsgebied is echter veel ruimer; denk bv. aan de verhuurder van opslagruimten of -tanks.

Hoewel het retentierecht al geruime tijd aanvaard en toegepast wordt, ontbrak het tot 1 januari 2018 aan een wettelijke basis. De nieuwe Pandwet bracht hierin verandering. De Pandwet bevestigt het tegenwerpelijke karakter van het retentierecht. Daarnaast wordt aan de retentor een preferentieel recht toegekend op de goederen waarop het retentierecht rust. De retentor is er aldus toe gerechtigd om bij voorrang boven de andere schuldeisers te worden betaald uit de bezwaarde goederen.

De wetgever heeft de positie van retentoren hiermee gevoelig versterkt en verduidelijkt. Overwegend wordt wel aangenomen dat de retentor de goederen niet zelf kan (doen) verkopen zoals een volwaardige pandhouder.

Ook het Hof van Cassatie heeft in twee recente arresten een duit in het zakje gedaan ter bescherming van de retentor.

1. Arrest van 16 januari 2020

Relevante feiten

Een schuldeiser oefende een retentierecht uit op goederen van zijn schuldenaar aangezien die in gebreke bleef om facturen te betalen. Vervolgens werd de schuldenaar failliet verklaard. De schuldeiser-retentor en de curatoren kwamen overeen om de goederen te verkopen. Voor de inwerkingtreding van de Pandwet was dergelijk akkoord essentieel; de retentor verloor immers automatisch zijn rechten vanaf (vrijwillige) vrijgave van de goederen. Een deel van de opbrengst (t.b.v. het bedrag van niet-betwiste factureren) werd betaald aan de schuldeiser-retentor. Het saldo van de opbrengst (t.b.v. het bedrag waarover betwisting bestond) werd op een geblokkeerde rekening geplaatst in afwachting van de beslechting van het geschil tussen de schuldeiser en de curatoren.

Belangrijk: de schuldeiser-retentor liet na om tijdig (binnen het jaar, huidig art. XX.165, 3de lid WER) een aangifte van schuldvordering in te dienen in het faillissement. De curatoren grepen dit aan en betoogden dat zij hierdoor niet gehouden konden zijn tot vrijgave van de geblokkeerde gelden aan de schuldeiser-retentor. Zowel de eerste rechter als het hof van beroep Antwerpen volgden hierin niet. De curatoren stelden daarom een voorziening in cassatie in.

Oordeel van het Hof van Cassatie

Het Hof van Cassatie oordeelde dat in geval van faillissement, schuldeisers tijdig aangifte moeten doen van hun schuldvordering om in aanmerking te komen voor de uitdeling (huidig art. XX.155 WER). Bij gebreke hieraan, komt men niet in aanmerking voor enige uitdeling uit de boedel (huidig art. XX.165 WER). Het recht om opname te vorderen in het faillissement verjaart, in beginsel, na verloop van één jaar te rekenen van het faillissementsvonnis (huidig art. XX.165, 3de lid WER).

Het retentierecht verleent echter aan de schuldeiser het recht om de teruggave van een goed van zijn schuldenaar op te schorten, zolang de schuldenaar de schuldvordering in verband met dat goed niet heeft voldaan. Het retentierecht is tegenwerpelijk aan andere schuldeisers van de schuldenaar en meer bepaald aan de samenlopende schuldeisers na het faillissement van de schuldenaar. De uitoefening van het retentierecht na faillissement is volgens het Hof van Cassatie niet afhankelijk van de aangifte van de schuldvordering in het faillissement.

Het Hof bevestigde bovendien dat de curator en de schuldeiser overeen kunnen komen om het goed waarop het retentierecht rust te verkopen. In dit geval kan de schuldeiser zijn rechten op de prijs uitoefenen overeenkomstig de met de curator gemaakte afspraken.

Het Hof van Cassatie besloot, o.i. terecht, dat de appelrechters die oordelen dat “de rechtmatigheid en de doelmatigheid van het uitgeoefende retentierecht niet afhankelijk is van de aangifte van de schuldvordering in het passief van het faillissement door de schuldeiser die zich op het retentierecht beroept’” en dienvolgens de vrijgave bevelen van de geblokkeerde gelden aan de schuldeiser, hun beslissing naar recht verantwoorden.

A contrario volgt hier o.i. wel uit dat de schuldeiser-retentor wél aangifte had moeten doen voor zover de omvang van zijn vordering de verkoopopbrengst oversteeg en/of hij de goederen had vrijgegeven zonder voorafgaandelijke akkoord met de curatoren. Pas sinds de inwerkingtreding van de Pandwet heeft de retentor ook in dat laatste geval een preferentiële positie. Voordien verloor hij automatisch zijn rechten vanaf (vrijwillige) vrijgave, behoudens uitdrukkelijke afspraken met de curatoren.

2. Arrest van 12 maart 2020

In een arrest van 12 maart 2020 ging het Hof van Cassatie door op de ingeslagen weg.

Het Hof diende zich nogmaals uit te spreken over de gevolgen van een niet-tijdige aangifte van schuldvordering in een faillissement, ditmaal niet door een retentor maar een hypothecaire schuldeiser.

Het Hof oordeelde kort en bondig dat hypothecaire en bevoorrechte schuldeisers niet kunnen uitgesloten worden van de verdeling of de rangregeling van de verkoopopbrengst van de bezwaarde onroerende goederen om de loutere reden dat zij geen tijdige aangifte hebben gedaan van hun schuldvordering. Net zoals de retentor is de hypothecaire schuldeiser als titularis van een zekerheidsrecht met zakelijke werking een zgn. separatist in het faillissement. Het Hof heeft er duidelijk voor geopteerd om deze separatisten extra te beschermen.

***

Het retentierecht is springlevend als een volwaardig en zelfstandig zekerheidsrecht.

Een schuldeiser met een openstaande schuldvordering die een goed onder zich heeft van zijn in financiële moeilijkheden verkerende schuldenaar, doet er verstandig aan om het goed niet prijs te geven, hetgeen immers tot gevolg zal hebben dat het retentierecht eindigt zolang er geen samenloop is. Alert en voldoende assertief zijn, is dus de boodschap.

Indien u vragen hebt over dit onderwerp kan u contact opnemen met Sam LedentDave Mertens en Irgen De Preter.