Privaat Bouwrecht

Contact: Siegfried Busscher (celhoofd Privaat Bouwrecht)

Coronavirus: Covid-19 en de verlenging in het bouwrecht van verjaringstermijnen

In een eerdere nieuwsflash informeerde mr. Geert De Buyzer van ons kantoor u er reeds over dat het volmachtbesluit KB nr. 2 van 9 april 2020 de impact van COVID-19 op verjaringstermijnen heeft geregeld. Hij meldde dat de “verjaringstermijnen en andere termijnen om in rechte op te treden voor de burgerlijke rechter” die verstrijken in de periode van 9 april tot en met 3 mei 2020 (datum die nog kan worden aangepast), worden verlengd tot één maand na 3 mei 2020 en dus aflopen op 3 juni 2020. Indien deze periode wordt verlengd, wordt ook de verlenging verlengd.

Voor de berekening van de termijn breng ik de principes in herinnering. De berekening van een verjaringstermijn die in het burgerlijke recht begint te lopen gebeurt vanaf de dag na de gebeurtenis die de termijn voor de verjaring doet ingaan. De termijn wordt in dagen gerekend en niet in uren, zodat er geen nadeel is wanneer de startgebeurtenis ’s avonds laat plaatsvindt. De dag waarop de verjaring begint, “telt niet mee” (R. DEKKERS en E. DIRIX, Handboek, II, 2005). De verjaring is daarna voltrokken wanneer de laatste dag verlopen is om middernacht (art. 2261 BW). Om een ouder voorbeeld van R. DEKKERS aan te halen: “een termijn van 10 jaar die op 1 augustus 1956 begint te lopen, is op 1 augustus 1966 (te middernacht) voltrokken; daags daarop mag de verweerder de verjaring inroepen” (zie verder voor eigen voorbeelden in bouwrecht). Deze termijn wordt niet verlengd indien ze eindigt op een feestdag of in het weekend, in tegenstelling tot termijnen in het gerechtelijk recht.

Lees hier verder.

Coronavirus: nieuwe mogelijkheid bouwwerken bij COVID–19 

De mogelijkheden om werken uit te voeren zijn verder uitgebreid door de laatste wijziging van het betrokken MB.

Met het Ministerieel besluit van 3 april 2020 houdende wijziging van het ministerieel besluit van 23 maart 2020 houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID - 19 te beperken, heeft de Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken de geldende maatregelen tot inperking van het coronavirus COVID–19, die werden getroffen bij de Ministeriële besluiten van 18 en 23 maart 2020, verlengd en deze verder op punt gesteld. De mogelijkheden voor aannemers om hun werken voort te zetten, dan wel te hervatten, zijn hierbij aanzienlijk uitgebreid.

1. Verlenging van de maatregelen tot 19 april 2020

Vooreerst verlengt het nieuwe Ministerieel besluit de actueel geldende maatregelen tot inperking van het coronavirus COVID–19 tot 19 april 2020 in eerste instantie. Na evaluatie zal deze termijn met twee weken kunnen worden verlengd.

2. Nieuwe essentiële sectoren in de bouw

Daarnaast worden ook de in de bijlage bij het Ministerieel besluit opgesomde essentiële sectoren – welke niet verplicht zijn om te sluiten wanneer zij het systeem van telethuiswerk en social distancing niet kunnen toepassen – uitgebreid. Zo wordt ook de cementindustrie thans aangeduid als een sector van essentiële aard en wordt het essentiële karakter van de metaal-, machine- en elektrische bouw sector (paritair comité 111) uitgebreid tot de installaties van bedrijven behorende tot de cruciale sectoren en essentiële diensten, de veiligheids- en defensie-industrie en de productie van materiaal voor de medische en (para)farmaceutische industrie, daar waar het noodzakelijk karakter van deze sector onder het Ministerieel besluit van 23 maart 2020 nog uitdrukkelijk werd beperkt tot het onderhoud, de productie en herstellingen van landbouwmachines.

Lees hier verder.

Coronavirus: impact op de uitvoering van private bouwprojecten

De verspreiding van het coronavirus (COVID-19) zal veel bouwprojecten enkele weken dwarsbomen. Voor vele werkgevers die actief zijn in de bouwsector zullen de maatregelen van thuiswerk uiteraard niet baten bij de uitvoering van bouwwerken.

Overmacht

Indien de concrete gevolgen van de verspreiding van het virus en de overheidsmaatregelen, bv. personeelstekort bij de aannemer of onderaannemer of leveranciersproblemen, ertoe leiden dat de opdracht niet tijdig kan worden uitgevoerd, zal dit als overmacht kunnen worden gekwalificeerd (art. 1147 en 1148 BW). Deze omstandigheid was immers niet redelijkerwijze te voorzien bij het aangaan van de aannemingscontracten. Let wel, de concrete werf moet daadwerkelijk verstoord worden: indien de werken kunnen worden voortgezet, bv. door andere maatregelen (evt. buiten het voorziene budget), zal er geen overmacht zijn. Wanneer het op algemene wijze niet meer mogelijk is om voldoende werkkrachten in te zetten, bv. door de overheidsmaatregelen, door de ziekte zelf of door het veralgemeend gebrek aan werknemers op de arbeidsmarkt, of als geen enkele leverancier de vereiste materialen nog tijdig kan aanleveren, en dit ook op de concrete werf de voortzetting van de werken verhindert, zal er o.i. aan deze voorwaarde voor overmacht voldaan zijn.

Overmacht leidt niet tot de mogelijkheid van de aannemer om de opdracht eenzijdig aan te passen aan de overmachtssituatie. Dit geldt enkel als grondslag om de werken (tijdelijk) niet te moeten uitvoeren en zal dus leiden tot termijnverlenging.

Lees hier verder.